| |
Verhalen spinnen lezen
Hieronder zie je het leesschema van Verhalen Spinnen. Elk blokje staat voor een hoofdstuk van een verhaal. Als je op een blokje klikt, verschijnt onder het leesschema dat hoofdstuk. Als een blokje nog grijs is, moet dat hoofdstuk nog geschreven worden. Om één verhaal te lezen, volg je de pijlen en de kleuren in het leesschema. Elk verhaal krijgt zijn eigen kleur. Je kunt het lezen of de video bekijken waarin de schrijvers hun hoofdstuk voorlezen.
Onderin het leesschema zie je bij elk verhaal open staan. Als je hierop klikt, krijg je alle hoofdstukken van dat verhaal op een rijtje te zien in een pdf-bestand. Je kunt dan het hele verhaal achter elkaar lezen. In het gekleurde schema, bovenaan elk hoofdstuk, zie je welke lijn er wordt gevolgd. Je kunt het hele verhaal ook uitprinten.
Video bekijken
Klik op de zwarte pijl om de video te starten. Op de video zie je de schrijvers hun hoofdstuk voorlezen. Aan het eind van deze video kun je doorklikken naar het vorige of volgende hoofdstuk of de video opnieuw bekijken.
|
|
|
| |
Verberg leesschema

Het spel met de Schaduw - Hoofdstuk 6 - De Optocht van Opnieuw
Video bekijken
Klik op de zwarte pijl om de video te starten. Op de video zie je de schrijvers of de leerlingen hun hoofdstuk voorlezen. Aan het eind van deze video kun je doorklikken naar het vorige of volgende hoofdstuk of de video opnieuw bekijken.
…maar hoe hij ook rukt en trekt, de sleutel komt niet los.
‘Laat mij even,’ zegt Gras, maar nee, het lukt echt niet. Misschien met z’n tweeën? Gras en Pakjan schudden en sleuren, maar het enige dat er gebeurt is dat er iets ánders uit de boom komt donderen. Iets dat AUWAAA! roept. Blackburn.
‘Blackie!’ roepen Pakjan en Gras, en ze helpen hem overeind en slaan hem op z’n schouders, maar Blackburn wrijft over zijn pijnlijke achterdeel en gebaart dat ze door moeten rammelen. Aan de boom dan, niet aan hem. Dat doen ze, en even later komt ook Selier uit de boom tuimelen. En Engel. En tenslotte zelfs Nonnebeet. Pfff. Vier dump-appeltjes.
Nadat ze een rondje hebben staan kreunen en juichen vragen de zes vrienden zich af wat ze nu toch met die gouden sleutel moeten. ‘Hij zit verrekte vast,’ zegt Pakjan.
‘Hoezo?’ vraagt Nonnebeet, en plukt de sleutel uit de boom. Floep, geen probleem.
‘Huh??’ doen Pakjan en Gras.
‘Logisch,’ zegt Nonnebeet, ‘Hij was voor mij. Mijn naam staat er op. Kijk maar.’
Ja, kijken, dat doen ze zeker. Op het voetje van de sleutel staat met mooie letters ‘Nonnebeet’. Inderdaad. Maar kijk, kijk, kijk nog eens béter: op de plaats van Nonnebeets sleutel hangt nu een nieuwe gouden sleutel in de boom! En daar staat weer een nieuwe naam op. Die van Gras.
Even later hebben ze allemáál een sleutel. En als Selier die van haar, de laatste, uit de boom plukt, gebeurt er nóg iets wonderlijks: de boom splijt open. Krieeeek krieeeek, zo aan twee kanten opzij. En ver achterin het boomgat (of is het een tunnel?) flikkert blauw licht.
‘Moeten we erin?’ vraagt Gras.
‘Watje,’ zegt Selier.
‘H-hoezo?’
‘Omdat je stem bibbert,’ zegt Selier. ‘Natuurlijk moeten we erin!’
Niets went zo snel als avontuur. Als je eenmaal weet dat er de hele tijd vreemde dingen gebeuren, dan ben je steeds minder snel verbaasd. Maar zodra de zes vrienden hun voeten op de grond van de boomtunnel neerzetten krimpen ze toch ineen. Van de schrik. Want ze horen een stem, links rechts, overal om hen heen.
‘Dittt,’ zegt de stem, ‘is een Optochtttt van Opnieuwww!’
De Schaduw? Is het de stem van de Schaduw?
Ze hebben geen tijd om dat met elkaar te bespreken, want zodra ze gaan lopen zijn ze opeens niet meer met zes personen. Nee, ze zijn met twaalf. En even verderop met achttien. En dan vierentwintig. Het meest ongelooflijke gebeurt: in de schemer van de tunnel zien ze dat de kinderen die om hen heen lopen… zijzelf zijn. Zijzelf – jonger en in verschillende uitvoeringen. Naast Blackburn huppelt een Blackburntje van zes, en daarachter eentje van vier. En opeens heeft Blackburn ook zichzelf als peuter van twee om z’n nek. En met de anderen is het precies hetzelfde. Eng is het. Raar. Lief ook, maar vooral krankzinnig.
Maar: echt? Is het ook echt?
Zodra de vrienden de tunnel uit zijn – alles bij elkaar duurde het misschien maar een twintigtal seconden – zijn de jongere versies verdwenen. En is er licht. Blauw licht. Voor hen knippert een enorm blauw scherm. Een computerscherm?
Flash, flash, er gebeurt iets op het scherm! Klop, klop, iemand tikt op de monitor – van de andere kant.
Ze horen: ‘Hallo, hallo, staat dit ding aan?’
Pelle! Het is de stem van meneer Pelle!
‘Pelle!’ roepen de Dumpkids, ‘Pelle! Waar zijn we, wat gebeurt er!’
‘Rustig, jongens. Ga eens even zitten, er zijn geen stoeltjes, maar de bodem hier is zacht genoeg. Ik zal jullie alles uitleggen, nu jullie je eindelijk in de diepten van mijn tuin en mijn huis en mijn kelder hebben gewaagd. En nu jullie snappen dat dat hele gedoe van de Schaduw van mij afkomstig was. Ik ben de Schaduw, ha ja haha. Beetje een spel eigenlijk. Of zo.’
Even glimlacht hij. Is het een vriendelijke glimlach? Een gemene? De Dumperdjes zien het niet, want ze zijn bezig om een plekje op de grond te zoeken.
En dan wordt alles, eindelijk, duidelijk. Pelle legt alles uit, levensgroot, blauw oplichtend, alsof hij tegen een beeldscherm zit te praten en zij aan de andere kant, stilletjes en slachtofferig, ín de computer zitten. De computer van meneer Pelle zelf. Maar misschien is dat onzin en lijkt het maar zo.
Pelle vertelt dat de twee jonge kindertjes die zijzelf in het Schaduwwoud afgeleverd hebben allang weer vrij zijn.
‘Ze waren een teken,’ zegt hij, ‘een symbool.’
Want: het gaat om jong zijn. Zegt Pelle. Om klein zijn. Om spelen. Om vaders en moeders hebben die ’s avonds op je bedrand komen zitten en met je komen praten. Die een dagje vrij nemen om met je naar de pasgeboren okapi in de dierentuin te gaan. Die rustig zijn, en voorlezen, en blikkie trappen en zo. Het soort ouders dus, die de Dumpkids niet hebben gehad.
De Dumpkids begrijpen het allemaal niet zo. Het is nogal een lange toespraak die Pelle houdt, en het lijkt meer over hun ouders te gaan dan over henzelf. Maar opeens ziet het ernaaruit dat Pelle het zat is.
‘Nou ja,’zegt hij, ‘het gaat dus om een nieuwe kans. Een Opnieuw-kans. Voor hen, voor jullie. Gedumpt worden is niks. Vandaar die sleutels. Doei.’
Doei?
Ja, doei.
Flits, flits, en weg is het beeld. Aardedonker wordt het, en pas als hun ogen gewend zijn aan het duister zien de vrienden dat het scherm verdwenen is en plaats gemaakt heeft voor zes kleine gouden platen. Met sleutelgaten erin. En dan: vier aanfloepende TL-buizen erboven in de vorm van letters. Een K, een A, een N, een S.
Tja, wat doe je dan als je zes kinderen bent? Zes kinderen met zes sleutels en zes sleutelgaten? Juist ja, draaien. Kan jou het risico schelen. Je wilt weg, je wilt dóór. Gras, Engel, Blackburn, Selier, Pakjan en Nonnebeet: ze frommelen zo snel als ze kunnen hun sleutel in hun eigen sleutelgat.
En zo is het gekomen.
De Dumpkids zijn geen Dumpkids meer. Eerder Jumpkids. Want toen de sleutels omgedraaid waren, was ook de tijd omgedraaid. Of: teruggedraaid. Net alsof de vrienden door het binnengaan van de Poort van het Verleden een nieuwe kans gekregen hebben. Niet alleen zij, maar ook hun ouders. Kleine Grasje, Klein Engeltje, Kleine Blackie, Mini-Selier, Pakjannetje en Nonne-heel- klein-beetje. Ze krompen, zodra ze de sleutels omgedraaid hadden, ineen, ze werden een jaar of zes jonger, en dat bleven ze ook.
En nu spelen ze alweer een jaar of zo schattig in de zandbak en hun vaders en moeders zitten er op bankjes omheen. Tijd zat hebben ze, die ouders. De crèche en de voorschoolseopvang blijft leeg, dat is een beetje jammer. Voor de crèche-leiding dan.
En Pelle?
Ja, Pelle?
Pelle is er niet meer. Want als zes kinderen zes jaar van hun leven opnieuw mogen doen, dan moet er ergens anders zes keer zes jaren ingeleverd worden, dat is logisch. Zo gaat dat. En dus is Pelle er niet meer. Nooit meer.
Maar ach, misschien komt er nog eens een dag dat de ouders en de kinderen een barbecuetje organiseren rond diezelfde zandbak, ’s avonds laat, nachtegalen in de bomen en een lekker romig maantje in de lucht, en dat dan iemand zegt:
‘Pelle… Laten we het eens over Pelle hebben…’
|
Het spel met de Schaduw Hoofdstuk 5

|
Klik hier voor leesschema
|
|
|
|